Column Evert Jan de Wijer juli 2021

De Gein van God

Ineens was ik weer in het Groot Brittannië van het einde van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Bakkebaarden en fluwelen pakken alom! Een goede vriend had een pamflet ten doop gehouden waarin hij met verve de ongebreidelde toegang tot de satire verdedigde. Met iets teveel aplomb kwam ik binnen en werd al vrij snel duidelijk dat ik dominee was. In een vurig gesprek met hedendaagse satirici, waaronder het verzamelde brein van De Speld, kreeg ik de tip nog eens een debat terug te kijken tussen twee leden van het satirisch gezelschap Monty Python’s Flying Circus en een bisschop van de Church of England naar aanleiding van de geruchtmakende film Life of Brian. Ik zong inmiddels al wat toontjes lager en probeerde nog zwakjes te beargumenteren dat een dergelijk debat vandaag toch anders zou verlopen. Maar zelfs dat moet ik terugnemen. Toen ik het debat had teruggekeken, waren het hooguit de nog jonge, frisse gezichten van John Cleese en Michael Palin die mij aan die tijd herinnerden. Niet de posities. En bisschoppen lijken door alle tijden heen eigenlijk alleen maar uit te zien naar het glas wijn na afloop.

Het gesprek was akelig voorspelbaar. De prelaat, bijgestaan door een bekeerde kerkjournalist wiens naam, Malcolm Muggeridge, mij vaag herinnerde aan een nooit gelezen boek in de boekenkast van mijn ouders, sprak er schande van waarbij hij nogal de indruk maakte de film niet erg bestudeerd te hebben. Achteraf bleek dat ook waar te zijn omdat ik las dat de twee heren zo zeer genoten van de door de BBC aangeboden copieuze lunch dat zij het eerste kwartier van de film gemist hadden. Vanzelfsprekend won Monty Python op alle punten. Zij waren grappig, scherp, veel en veel beter theologisch geïnformeerd en bovenal zoveel meer wellevend en bereid tot een gedachtewisseling dan deze vileine, paternalistische mannen van voorbij, met als pijnlijke uitsmijter de zorgvuldig voorbereide slotopmerking van de bisschop dat de heren hun dertig zilverlingen wel verdiend hadden.

Ook vandaag lijken er eigenlijk maar twee posities te zijn die een mens kan innemen: met wie of wat heilig is, valt niet te spotten. Of: de mens is vrij en autonoom en moet daarom zijn eigen leven vormgeven. Dat beide posities ideologisch bepaald zijn, en dus op een gekke manier een vorm van afgodendienst, komt eigenlijk alleen maar in zicht omdat in dit debat niemand rekent met een derde positie: die van een God die via de verhalen die van hem de ronde gaan, zowel afrekent met alle vormen van godsdienst als met de hoogmoed en wanhoop van de mens op eigen benen. Er is een derde positie. Er is een ander verhaal. Een kritisch verhaal. Een verhaal dat haaks staat op de wereld zoals wij die hebben vormgegeven, zowel in het bastion van de religie als in het bastion van onze autonomie.

Je zou dat bijbelse verhaal de ultieme vorm van satire kunnen noemen. Dat het naar boven trapt, zoals het hoort, dat is wel duidelijk. Het heeft ‘de ijdelheden op hun pauwentroon en de luchtkastelen van de sterken’ op het oog. Maar het vraagt ook kritisch of de autonome mens die God noch meester wil kennen, wel zijn broeder of zuster kent als één die voor moet gaan. Ergens schrijft de theoloog Miskotte dat de humor een erfenis van Israël is en zogezegd, niet op had kunnen komen op Chinese of Indische bodem. Het boekje van mijn vriend maakt overtuigend duidelijk dat dit formeel niet waar is: de satire bevindt zich overal ter wereld vanaf het begin der tijden. Maar inhoudelijk klopt het wel. De bijbelse verhalen tonen niet alleen aan dat de keizer geen kleren aan heeft, maar ook dat de mens alleen naakt is, en een tegenover nodig heeft om werkelijk mens te worden.

Evert Jan de Wijer